De eer en macht van de moslims (ezzah)
Wet nummer 9: de enige bron van ezzah is Allah
We hebben eerder het belang besproken van het niet passief zijn en het zetten
van positieve stappen, en het belang van ernst en het perfectioneren van wat we
doen. Deze keer zullen we praten over de eer en waardigheid (ezzah) van
onze moslim oemma. Ezzah betekent eer, waardigheid, macht en
glorie, en het tegenovergestelde is zillah of vernedering. Vandaag zeggen
we ‘ja’ tegen eer en ‘nee’ tegen vernedering. Een moslim aanvaardt alleen eer en
neemt nooit genoegen met vernedering.
Allah (VVIH)
wil dat we een eervolle en machtige oemma zijn, dus waarom leiden we
onszelf naar de zwakheid van vernedering? Weet jij hoe we de zaden van
vernedering in onze oemma gezaaid hebben? Wanneer een moslimvader zijn
vrouw in het gezicht slaat, in het bijzijn van zijn kinderen, zaait hij de zaden
van vernedering. Wanneer een leraar een student slaat of hem/haar op een
vernederende manier straft, en wanneer een vader zijn zoon straft in het bijzijn
van zijn vrienden, zaaien ze beiden zaden van vernedering. Al deze dingen zorgen
ervoor dat een moslim gewend raakt aan vernedering en zorgt ervoor dat we
vergeten dat we eervolle mensen moeten zijn.
Iemands gevoel van zelfrespect is iets dat zich óf kan ontwikkelen, óf kan
verzwakken. De Boodschapper van Allah (vzzmh)
toonde ons hoe we dit gevoel bij onze kinderen kunnen ontwikkelen. Op een dag
zat Profeet Mohammed (vzzmh) met enkele van zijn gerespecteerde metgezellen en
aan zijn rechterzijde zat Ibn-Abbaas (mAtmhz),
die toen nog een jonge tiener was. Als de Boodschapper van Allah tijdens een
bijeenkomst dronk, gaf hij de beker door aan degene die aan zijn rechterzijde
zat, zodat deze ook kon drinken. Dan gaf deze persoon aan zijn rechterzijde het
door aan degene aan zijn rechterzijde, enzovoort. In deze bepaalde situatie
betekende dit dat Ibn-Abbaas, een jonge tiener, zou drinken vóór voorname
personen zoals Aboe-Bakr en Omar Ibn Al-Chattaab (mAtmhz). Dus toen Profeet
Mohammed (vzzmh) dronk en de beker wilde doorgeven, vroeg hij Ibn-Abbaas:
"Wil je me toestemming geven om jouw deel aan mijn dierbare broeders te geven,
vóór jou?" Natuurlijk kon de Profeet (vzzmh) hen gewoon de beker gegeven
hebben en het zou begrijpelijk zijn, omdat de voorkeur naar de oudere mensen uit
zou gaan, vooral als zij zulk aanzien als Aboe-Bakr hebben. Maar Profeet
Mohammed (vzzmh) wilde het gevoel van zelfrespect en waardigheid bij Ibn-Abbaas
ontwikkelen en hij wilde hem niet het gevoel geven dat hij onbelangrijk is.
Ibn-Abbaas antwoordde: “Bij Allah, ik zou mijn deel van jou nooit aan iemand
anders kunnen geven.” Direct na Profeet Mohammed van dezelfde beker
drinken was een voorrecht voor Ibn-Abbaas. En Profeet Mohammed (vzzmh) liet hem
eerst drinken. Zie je hoe de islaam ons gevoel voor ezzah ontwikkelt?
In moslimlanden zie je dat bedrijven de buitenlandse niet-moslimdeskundigen
respecteren, maar de plaatselijke deskundige met dezelfde deskundigheid en
vaardigheid wordt niet hetzelfde behandeld. Dit geeft ons een vernederend
gevoel. Ik zal nooit vergeten dat ik op een dag in het vliegtuig zat en het
vertrek uitgesteld was. Op het vliegtuig zaten zowel Arabieren als
niet-Arabieren. Eén van de bemanningsleden ging naar elke niet-Arabier om zich
te verontschuldigen voor de vertraging en verontschuldigde zich bij geen enkele
Arabier. Dit vergroot iemands gevoel van vernedering.
Zelfrespect en eer zijn echte Arabische karaktereigenschappen. Een Arabier zou
de dood verkiezen boven vernedering. Het gevoel van zelfrespect en macht is
zelfs een onderdeel van de Arabier van vóór de islaam. Weet je waarom de deur
van de Kaba boven de grond is? Zodat niemand er naar binnen kon gaan
zonder de toestemming van de Mekkanen. De heidense Arabieren van Mekka vóór de
islaam eerden de Kaba en voelden dat hun ezzah en glorie
geschonden werd als iemand de Kaba zonder hun toestemming binnenging.
Vergelijk dit met de huidige moslim Arabieren. De hele al-Aqsa moskee is
bezet, net als vele moslimlanden. Moslimbloed is het goedkoopst geworden. Waar
is ons gevoel voor waardigheid, zelfrespect en macht? Waar is onze ezzah,
is het verdwenen?
De individuele moslim moet zijn eigen eer en waardigheid behouden, zodat de hele
oemma zijn eer en waardigheid terugkrijgt. Maar hoe doet men dat? Als je
zelfrespect, glorie en eer wilt, haal het dan bij de bron: Allah!
Allah (VVIH) zegt, wat vertaald kan worden als:
“Wie eer wenst (weet) dat alle eer aan Allah
behoort." (VBQ
soera 35:10) Er is geen
andere bron. Dit is de goddelijke wet van vandaag. De enige bron van ezzah
is Allah. Je kunt geen glorie of eer van een ander mens of land krijgen, alleen
van Allah, omdat Allah de Moeez en de Moezel is, wat betekent
‘Degene die eer geeft’ en ‘Degene die vernedert’. Een eervol persoon kan morgen
een vernederd persoon zijn. Dus ga niet naar een ander mens voor eer. Ga naar
Allah. Allah zegt, wat vertaald kan worden als: “Zeg:
‘O, Allah, Heer van het Koninkrijk, Gij geeft heerschappij aan wie Gij wilt en
neemt terug van wie Gij wilt. Gij verheft, wie Gij wilt en vernedert, wie Gij
wilt. Slechts in Uw hand is het goede. En Gij hebt macht over alle dingen.’”
(VBQ soera 3:26)
Allah (VVIH) aanvaardt niet dat iemand van Zijn dienaren vernederd wordt of
vernedering toont, behalve in twee gevallen:
1)
Zichzelf nederig opstellen t.o.v. Allah (zie stap 1: Onderdanigheid en
nederigheid jegens Allah);
2)
Nederigheid t.o.v. je ouders. Allah zegt, wat vertaald kan worden als: “En
wees teder voor hen in erbarming. En zeg: ‘Mijn Heer, ontferm u over hen daar
zij mij opvoedden toen ik jong was.’” (VBQ soera 17:24)
Er is een derde situatie waarin Allah (VVIH) aanvaardt dat een moslim
nederigheid toont. Maar de nederigheid in dit geval is niet de nederigheid die
passiviteit en verlies van waardigheid inhoudt, maar eerder wederzijdse genade
en bescheidenheid. Allah zegt, wat vertaald kan worden als: “...dat Allah
weldra een ander volk zal voortbrengen dat Hij zal liefhebben en die Hem
zullen liefhebben, vriendelijk en nederig zijnde jegens de gelovigen en hard en
streng jegens de ongelovigen." (VBQ soera 5:54) Daarom moet onze
relatie met onze medemoslimbroeders en –zusters een relatie zijn van wederzijds
respect, genade en nederigheid.
Hoe worden we in deze wereld vernederd?
Vier dingen leiden ons naar het dieptepunt van vernedering en zwakheid, en
verlies aan respect:
1)
Satan gehoorzamen. Satan wil ons vernederen en hij heeft duidelijk zijn
bedoeling geuit. Allah zegt, wat vertaald kan worden als: “En hij zeide:
‘Hebt Gij hem boven mij geëerd? Indien Gij mij tot de dag der opstanding uitstel
verleent, zal ik voorzeker zijn nakomelingen mij doen volgen, op enkelen na.’”
(VBQ soera 17:62) Het Arabische woord dat beschreef Satan met ons zal
doen, is ‘la-ahtanikanna’. Dit woord beschrijft een positie waarin een
mens een dier met een touw voorttrekt, dat vastgebonden is of vastgemaakt aan de
mond van het dier. Dus Satan wil ons op die manier voorttrekken, wat uiterst
vernederend is als je erover nadenkt. Als je Satan gehoorzaamt, dan lijk jij op
dit beeld en de tekenen van vernedering zullen bij jou verschijnen.
2)
Je eigen wensen volgen. Als je altijd je eigen wensen volgt, dan nader je
gestadig de zwakheid en vernedering. Dit is één van de wijsheden van het vasten
tijdens Ramadan. Ramadan is een tijd waarin je tegen jouw
innerlijke wensen zegt: “Ik heb de leiding! Niet jij.” De wens om te eten en te
drinken is een voorbeeld van jouw innerlijke wens en het vasten in Ramadan
leert ons hoe we het kunnen temmen.
3)
Verdoofd raken ten opzichte van Allah, islaam, en onze oemma. Wanneer dit
gebeurt, verlies je jouw gevoel om bij iets groots te horen, en zul je naar een
andere identiteit zoeken. Deze zoektocht naar een alternatieve identiteit aan de
islaam, leidt naar een gevoel van vernedering.
4)
Vertrouwen in Allah verliezen, en dat alles door Hem bepaald is. Voortdurende
angst voor de toekomst doet een persoon zijn gevoel voor eer en waardigheid
verliezen. Imaam Ali (mAtmhz) zei eens: “Waarom zou ik bang zijn voor de dood?
Als vandaag niet de dag is waarop Allah bepaald heeft dat ik ga sterven, waarom
zou ik me dan zorgen maken? En als vandaag die dag is, dan zal bang zijn zeker
niets veranderen aan wat Allah bepaald heeft.”
Denk aan jezelf. Doe jij één van de vorige vier? Zo ja, dan moet je veranderen,
anders zul je jezelf tot vernedering leiden en degenen rondom jou zullen je
vernederen.
De geschiedenis vertelt ons dat er een tijd was dat moslims een zeer ernstig
niveau van vernedering bereikten, toen de Tartaren Bagdad plunderden. Men zei
dat een vrouw naar een dozijn moslimmannen zou kunnen komen en hen vertellen:
“Kijk, ik heb geen zwaard om jullie allen te vermoorden, dus ga allemaal met je
gezicht naar die muur toe staan tot ik er een breng.” En ja hoor, ze
gehoorzaamden haar echt en wachtten op haar, totdat ze een zwaard bracht en hen
allen vermoordde.
Vergelijk deze mannen met Omar Ibn Al-Chattaab (mAtmhz). Omar Ibn Al-Chattaab is
een groot voorbeeld voor degenen die de ezzah van een moslim willen zien.
Tot het zesde jaar nadat Profeet Mohammed (vzzmh) zijn boodschap van de islaam
begon te verkondigen, ontmoetten de moslims elkaar altijd in het geheim uit
angst voor de onderdrukking van de ongelovigen. In een dergelijke sfeer bekeerde
Omar zich tot de islaam. Onmiddellijk nadat hij moslim werd, vroeg hij Profeet
Mohammed (vzzmh): “O Boodschapper van Allah, hebben wij het niet bij het juiste
eind?” De Profeet (vzzmh) antwoordde met ja. Omar vroeg: “En hebben zij (de
ongelovigen) ongelijk?” De Profeet antwoordde opnieuw ja. Toen vroeg Omar:
“Waarom verbergen we ons dan?” De Boodschapper van Allah vroeg hem: “Wat vind je
dat we moeten doen?” Omar antwoordde: “Ik stel voor dat we dit huis verlaten!
Dat we over de straten lopen, en Allahoe akbar (Allah is de Grootste)
roepen, en dat we rond de Kaba lopen zodat iedereen ons kan zien!” En dat
is precies wat ze deden, en geen enkele ongelovige kon er iets aan doen!
Sindsdien begonnen de dingen voor de moslims te veranderen, omdat ze nu Omar aan
hun zijde hadden.
Hetzelfde gebeurde toen de migratie naar Medina begon. De meeste moslims
verlieten Mekka stilletjes en in het geheim, maar Omar (mAtmhz) kon zich daar
niet toe zetten. Hij bewapende zich en ging toen naar de Kaba en bad. De
leiders van Mekka keken stilzwijgend naar hem. Na het gebed zei hij tegen hen:
“Ik vertrek naar Medina. Als iemand wilt dat zijn kind een wees wordt, zijn
vrouw een weduwe of dat zijn moeder voor hem huilt uit verdriet, laat hem mij
dan door de vallei volgen!” Natuurlijk bewoog niemand zich.
Toen de moslims Jeruzalem binnengingen, weigerden de christenen de sleutels van
de stad te overhandigen, behalve aan Omar persoonlijk, de chalief
(kalief) op dat moment. Dus vertrok Omar Ibn Al-Chattaab (mAtmhz) van Medina
naar Jeruzalem. Omar had slechts één bediende bij zich en slechts één kameel om
te berijden, en die bereden ze om de beurt. De dag dat ze Jeruzalem naderden,
was het de beurt van de dienaar om op de kameel te rijden. “Bevelhebber van de
moslims”, zei de bediende, “Ik geef mijn beurt aan jou. Het zal vreemd lijken in
de ogen van de mensen, als ik de kameel berijd die jij leidt.” “O nee”,
antwoordde Omar, “ik ben niet onrechtvaardig. De eer van de islaam is genoeg
voor ons allemaal.” Zie je hoe Omar het gevoel van zelfrespect van de dienaar
ontwikkelde, zoals Profeet Mohammed (vzzmh) bij Ibn Abbaas deed.
Tijdens het wandelen passeerde Omar een modderig gebied, dus deed hij zijn
schoenen uit, nam ze onder zijn arm en trok zijn kleren omhoog zodat ze niet
vuil werden. Toen Aboe-Oebaida, één van de bevelhebbers die op Omar aan het
wachten was, dit zag, rende hij naar Omar toe en vroeg hem op de kameel te
rijden om de stad binnen te gaan. Aboe-Oebaida drukte ook zijn bezorgdheid uit
over het uiterlijk van Omar, omdat zij in een land waren waar de kwaliteit van
kledij de rang van mensen weergeeft. Omar antwoordde met een zucht:
“Aboe-Oebaida, laat iemand anders dan jij dit zeggen. Ben je vergeten dat we een
vernederd volk waren en dat islaam ons eervol maakte? Als we eer zoeken in iets
anders dan islaam, zal Allah ons in de staat van vernedering terugbrengen.”
Een ander voorbeeld van eer en waardigheid is gegeven door één van de
metgezellen van Profeet Mohammed (vzzmh). Zijn naam was Rabia Ibn-Amr (mAtmhz).
De Boodschapper van Allah (vzzmh) zond hem met een boodschap naar Rostrum, de
beroemde Perzische generaal. Rostrum wou Rabia shockeren, en dus bedekte hij het
woestijnzand dat naar zijn koninklijke tent leidde met waardevolle, zijden
Perzische tapijten en liet honderden mooie Perzische vrouwen in twee rijen langs
beide zijden van de weg staan. Rabia kwam van zijn paard af en stapte vol
zelfvertrouwen naar de tent, bij elke stap maakte zijn speer gaten in de
tapijten. Hij keek niet eens naar de vrouwen rondom hem. Rostrum was hierdoor
uit het veld geslagen en vroeg Rabia wat hij wilde. Rabia antwoordde vol
zelfvertrouwen: “Wij zijn gekomen om de mensheid vanuit de duisternis naar het
licht te leiden en van het aanbidden van valse goden naar het aanbidden van
Allah, van de geringheid van deze wereld naar de veelomvattende uitgestrektheid
van deze wereld en de volgende, van de onrechtvaardigheden van godsdiensten
gemaakt door de mens naar de rechtvaardigheid van de islaam.” De eer en
waardigheid die de islaam in Rabia’s hart plantte, gaf hem de kracht om voor
Rostrum te staan en te zeggen wat hij zei.
Ik wil niet dat onze moslimzusters denken dat alle voorbeelden van waardigheid
en eer alleen in verband staat met mannen. Asmaa Bint Aboe-Bakr leerde alle
moslims hoe zij voor hun geloof moeten opkomen. Abdoellah Ibn Az-Zoebair, haar
zoon, was kandidaat voor het chalifaat (kalifaat) na de dood van Jazid
Ibn-Moe’awiejah. De Hidjaz, Egypte, Irak, Choerasan en een groot deel van Syrië,
verkozen hem en erkenden hem als chalief. De Oemajaden daarentegen bleven
het chalifaat betwisten en zetten een gigantisch leger in onder het bevel
van Al-Hadjadj Ibn-Yoesoef Al-Thaqafi. Meedogenloze veldslagen werden gestreden,
waarin Abdoellah Ibn Az-Zoebair heldhaftige en moedige daden toonde. Veel van
zijn aanhangers daarentegen, konden geen weerstand bieden aan de voortdurende
inspanning van de gevechten en lieten hem geleidelijk aan in de steek.
Uiteindelijk zocht hij toevlucht in de Heilige Moskee in Mekka. Het was toen dat
hij naar zijn moeder toe ging, zij was nu een oude, blinde vrouw. Hij vertelde
haar over zijn angst voor de huidige situatie en hoe iedereen hem in de steek
liet en vroeg of ze vond dat hij zichzelf aan de Oemajaden moest uitleveren.
Asmaa (mAtmhz) antwoordde ferm: “Het is aan jou, Abdoellah, en jij kent jezelf
het beste. Als je denkt dat je gelijk hebt en dat je opkomt voor de waarheid,
hou dan vol en vecht verder zoals je metgezellen volharding toonden en onder
jouw vlag gedood werden. Als je echter deze wereld wenst, wat een ellendige
stakker ben je dan. Je zou jezelf vernietigd hebben en je zou je mannen
vernietigd hebben.”
Abdoellah zei tegen haar dat hij niet bang was voor de dood, maar dat hij bang
was dat zij zijn lichaam zouden verminken nadat zij hem gedood hadden. Zijn
moeder vertelde hem: “Er is niets na de dood waar een mens bang voor moet zijn.
Het villen doet geen pijn bij een geslacht schaap.” Zie je hoe zij haar zoon
aanmoedigde om met eer en waardigheid op te komen voor hetgeen hij denkt dat
juist is? Wanneer Abdoellah dit hoorde, klaarde zijn gezicht op en hij zei: “Wat
een gezegende moeder! Gezegend zijn jouw nobele eigenschappen! Ik ben op dit uur
naar jou gekomen om te horen wat ik gehoord heb.” Hij omhelsde zijn moeder, maar
terwijl Asmaa haar armen om haar zoons lichaam sloeg, voelde ze iets hards onder
zijn hemd. Dus vroeg ze wat dit was en hij zei tegen haar dat het zijn harnas
was. Asmaa zei: “Dit, mijn zoon, is niet de kledij van iemand die het
martelaarschap wenst. Doe het uit. Het zal je bewegingen lichter en sneller
maken. Draag in plaats daarvan de sirwal (een lang onderkleed), zodat als
je gedood wordt, je intieme delen niet blootgesteld worden.” Hij ging naar
buiten, vocht en werd gedood. Al-Hadjadj hing zijn lichaam aan een kruis,
wachtend tot Asmaa zou komen en hem zou smeken om haar zoon naar beneden te
halen. Maar dit deed ze niet. Al-Hadjaj, woedend, ging naar haar toe en
probeerde haar uit te lokken door te zeggen: “Zie je wat je zoon deed? Zie je
wat hij me met hem liet doen?” Maar deze eervolle vrouw verweerde zichzelf
kranig en antwoordde: “Bij Allah, ik zie alleen dat jij je leven hebt verwoest,
en hij heeft je leven in het hiernamaals verwoest!” Al-Hadjaj was een naam die
als het genoemd werd, sterke mannen deed flauwvallen van angst. Maar Asmaa Bint
Aboe-Bakr stond standvastig tegenover hem, ze stond met ezzah.
Dit was hoe moslims zich voelden. Eer en waardigheid waren in hun harten
ingebed. En we kennen allemaal de moslimvrouw die geslagen werd in het land van
de Romeinen en die haar historische kreet schreeuwde: “O Moe'tasim!” Elke moslim
in die tijd voelde dat hij of zij een identiteit en waardigheid had. De
chalief Al-Moe'tasim hoorde haar kreet en zei: “Hier ben ik, zuster.” En hij
stuurde zijn soldaten om de Romeinen aan te vallen, in de beroemde veldslag
Amoeriejah. Wanneer de eer van één enkele vrouw in gevaar was, rukte het
moslimleger uit om haar te redden. Kijk naar ons vandaag, en kijk hoeveel van
onze vrouwen vermoord en verkracht worden, en kijk hoe wij daarop reageren. We
moeten onze eer en waardigheid terugkrijgen! We moeten onze macht en glorie
terugkrijgen! We hebben onze ezzah nodig! En we kunnen het alleen van
Allah (VVIH) krijgen, laat ons dus weer onze toevlucht zoeken tot Allah!
Het is interessant om te zien dat in de Qoer'aan ezzah herhaaldelijk
gekoppeld wordt aan wijsheid en genade. Dit omdat Allah ons wil leren dat eer,
glorie en macht niet betekent: overtreden, irrationeel zijn of geweld gebruiken,
maar in plaats daarvan een gevoel van zelfrespect en waardigheid omhuld door
genade, wijsheid en goed gedrag.
Ten slotte wil ik deze les eindigen met een hadieth (overlevering van de
Profeet Mohammed – vzzmh) die mijn lichaam rillingen bezorgt. De Boodschapper
van Allah (vzzmh) zei: “Degene die toelaat dat een moslim vernederd wordt
terwijl hij hem kon helpen, Allah zal hem op de dag des oordeels vernederen in
het bijzijn van de hele schepping.” Laten we onze best doen om de
vernedering van onze broeders en zusters in Palestina, Irak en onze hele
oemma te stoppen. Laten we onze persoonlijke staat veranderen in een
eervolle en waardige staat, omdat: tenzij we onze eigen staat niet veranderen,
Allah (VVIH) de staat van onze oemma niet verandert.