|
Laten we in vrede samenleven
Deel 19
In de naam van Allah, de Erbarmer, de Barmhartige. Moge de vrede en zegeningen van Allah met Profeet Mohammed (vzzmh) zijn.
We hebben in het vorige hoofdstuk gesproken over hoe imaam Ahmed de soenna (voorbeeld van Profeet Mohammed) vastlegde door alle overleveringen te verzamelen in het boek Moesnad. Hier was hij vanaf zijn zestiende jaar tot aan zijn veertigste mee bezig. Zijn andere prestatie was dat hij de eenvoud van de islamitische geloofsleer en principes verdedigde, door zijn onbuigzame houding tijdens de grote beproeving betreft het samenstellen van de Qoer’aan.
De grote beproeving:
Door de kolossale expedities van de moslims, bekeerden veel mensen met verschillende achtergronden zich, en brachten hun andere cultuur met zich mee. In toevoeging daarop ontstond er een nieuwe groep die zich tot de islaam bekeerde, uit angst voor het verval van het Romeinse en Perzische rijk. Deze groep koesterde jaloezie en een wrok ten opzichte van de moslims, en heimelijk wilden zij de islaam bevechten. Omdat dit niet mogelijk was op de gebruikelijke manier, streefden zij ernaar om de essentie van de religie te ontaarden, wat de geloofsbelijdenis is. De simpele en duidelijke geloofsbelijdenis heeft mensen ertoe geïnspireerd om zich tot de islaam te bekeren: om de Ene God te aanbidden die Zijn Boodschapper heeft gestuurd om ons naar het rechte pad te leiden. Het is vrij simpel, zoals Allah (VVIH) in de Edele Qoer’aan heeft gezegd, wat vertaald kan worden als: “Zij werden niet anders bevolen dan Allah met zuivere aanbidding te aanbidden, als rechtgeleiden. (En ook) het gebed te verrichten en de aalmoezen te geven: dat is de rechte godsdienst.” (VBQ 98:5)
Onder hen waren de moe’tazila, een groep extremisten in Irak, die vreemde ideeën aan de islaam probeerden op te leggen, om het als een ingewikkelde religie voor te kunnen doen. Een voorbeeld hiervan is het concept ‘Vervaardiging van de Qoer’aan’. Er zal niet te diep op het concept zelf ingegaan worden, aangezien het een ingewikkelde filosofie is, maar in het kort impliceert het dat de Qoer’aan niet slechts uit de woorden van Allah bestaat zoals alle moslims geloven. Ze beweerden dat de Qoer’aan iets nieuws was, een product. Als het oud was, dan zou dat betekenen dat er verschillende ‘oude’ boeken zouden zijn, wat zou betekenen dat er net zoveel goden zijn als de Grieken en Romeinen geloofden. Kun je het nog volgen, of is het te ingewikkeld? Dat is nu juist wat zij wilden bereiken: de islaam als een ingewikkeld proces laten lijken.
Ze werkten er 50 tot 60 jaar aan om deze opruiing te verspreiden middels debatten en discussies, maar ze werden het hoofd geboden door aboe-Haniefa. Dus bedachten ze dat de beste manier om hun verdorven ideeën te verspreiden, was om dichter bij de kalief te komen, door parlementsleden te worden. Ze hebben hier jaren aan gewerkt, maar slaagden hier alleen in tijdens de heerschappij van Ma'moen. Een man in het bijzonder, ibn-aboe-Dawoed, werd de raadgever van de kalief en overtuigde hem ervan om het concept ‘Vervaardiging van de Qoer’aan’ te verkondigen en te verspreiden, en om alle geleerden het te laten aanvaarden zodat de mensen het zouden aanvaarden. Imaam Ahmed keurde dit ten zeerste af en hield voet bij stuk om de geloofsbelijdenis van de islaam te verdedigen. Daarom wordt er nog steeds over hem gezegd dat hij net zo koppig was als Hanbali.
Imaam Ahmed stond bekend om zijn strenge persoonlijkheid, door zijn directheid en concrete acties tegen degenen die de islaam wilden verdraaien. Zijn karakter en oordelen bewezen echter dat hij een zeer flexibele en toegevende aard had, waardoor hij in vrede met anderen samenleefde. Hij beschouwde alles in het leven toegestaan, tenzij de Qoer’aan of de soenna het nadrukkelijk verboden. Hij beschreef zijn leven met zijn eerste vrouw, met wie hij ongeveer 25 jaar leefde voordat ze stierf, als vrij van onenigheden. Zijn islamitische jurisprudentie was het makkelijkst in kwesties die betrekking hebben op het huwelijk en het sociale leven. Daarom wilde hij (op 55-jarige leeftijd) het gemak van de eenvoud van de islaam behouden, en stond niet toe dat de samenzwering van de moe’tazila hun doel zou bereiken.
Kalief Ma’moen nam hun ideeën echter aan en verspreidde deze onder druk vanaf de maand rabbia al-awwal (3e maand van de islamitische kalender) in het jaar 218 n.h. (833 n.C.). Hij verzocht de politiechef Ishaaq ibn-Ibrahiem om 17 geleerden te informeren, exclusief imaam Ahmed, maar inclusief zijn beste vriend Jahja ibn-Ma’in, dat de vervaardiging van de Qoer’aan aanvaard moest worden en dat dit aan het publiek kenbaar gemaakt diende te worden. Zo niet, dan zouden ze vermoord of gevangen gezet worden. De geleerden waren doodsbang en kondigden hun goedkeuring aan, zoals van hen werd gevraagd.
Imaam Ahmed begon in zijn lessen een campagne tegen de ideeën die in tegenstrijd waren met de islamitische geloofsleer. Kalief Ma’moen gaf vervolgens het bevel aan Ishaaq om de vier geleerden (o.a. Ahmed, al-Qairawani en Mohammed ibn-Noeh) te bedreigen, door te zeggen dat ze vermoord of gevangen gezet zouden worden, als ze het concept van de vervaardiging van de Qoer’aan niet zouden beamen. Eerst negeerden alle vier de geleerden de bedreiging, en werden ze een aantal maanden gevangen gezet. Al-Qairawani en een andere geleerde konden de gevangenneming niet langer verdragen en kondigden hun goedkeuring aan, en werden aldus vrijgelaten. Ook Mohammed ibn-Noeh kon het niet langer volhouden en gaf het op, en werd vrijgelaten. Imaam Ahmed bleef alleen achter, in zijn gevecht tegen het slechte en de onrechtvaardigheid.
Zijn standvastige positie maakte de mensen nog nieuwsgieriger naar zijn mening in dit soort kwesties. Hij werd nog beroemder en een leider van de moslims in zijn gevecht om de correcte principes van de islaam te behouden. Hij werd gemarteld in de gevangenis, maar hij gaf niet op, wat er ook gebeurde. Kalief Ma’moen stuurde mensen naar hem toe om hem ervan te overtuigen zijn gevecht op te geven, omwille van zijn vrouw en kinderen en omwille van de boosheid van de kalief, maar hij hield stand tegen alle pogingen om zich van zijn geloof af te keren.
De kalief liet imaam Ahmed naar hem toe brengen. Op weg naar de kalief, met de boeien nog om, ontmoette hij een man die tegen hem zei dat hij zijn moed en sterke wil moest behouden, en zijn geloof nooit op moest geven. Deze man zei tegen imaam Ahmed dat hij de leider van de moslims was, en als hij zou opgeven, dan zou hij de hele moslimgemeenschap misleiden.
Imaam Ahmed ontmoette de kalief Ma’moen voor de eerste en laatste keer in zijn leven. De kalief was zeer duidelijk in zijn bedreigingen aan het adres van imaam Ahmed: als hij diezelfde dag zijn goedkeuring niet bekend zou maken, dan zou hij onthoofd worden. Imaam Ahmed antwoordde door te zeggen dat de Profeet (vzzmh) zijn toevlucht tot Allah (VVIH) zocht van al het ongeluk.
Imaam Ahmed werd niet gedood, want diezelfde nacht stierf de kalief. Hij werd opgevolgd door Moe’tasim, en ook al stond hij bekend om zijn eerlijkheid en welwillendheid, wist ibn-aboe-Dawoed hem er ook van te overtuigen dat hij zijn macht zou verliezen als imaam Ahmed zijn gevecht zou winnen. Daarom riep de kalief imaam Ahmed bij zich en gaf hem een dag bedenktijd. Als hij ongehoorzaam zou blijven, dan zou hij zweepslagen krijgen.
Imaam Ahmed was niet bang voor de dood, want hij wist dat hij dan een martelaar zou zijn. Maar net als elk mens, raakte hij in paniek bij de gedachte aan pijn. Toen hij meegesleurd werd om naar de kalief gebracht te worden, ontmoette hij de zakkenroller aboe-Haitham at-Tajar. Hij zag de angst in de ogen van imaam Ahmed. Hij zei dat hij 18.000 zweepslagen had gekregen in heel zijn leven, door te werken voor de vervloekte Satan. Hij vroeg imaam Ahmed hoe een man die voor de zaak van Allah werkt, ooit bang kon zijn. Deze woorden gaven kracht aan imaam Ahmed.
Moe’tasim zei tegen hem dat hij medelijden met hem had en dat hij hem niet gemarteld wilde zien worden. Imaam Ahmed antwoordde door aan hem en ibn-aboe-Dawoed te vragen: “Als deze ideeën waar zijn, waarom hebben de Edele Qoer’aan, de Profeet Mohammed (vzzmh) of zijn metgezellen dit dan niet genoemd?” Ibn-aboe-Dawoed was zo kwaad dat hij Moe’tasim ertoe aanzette om het bevel te geven om imaam Ahmed zweepslagen te geven, want anders zou hij zijn macht kwijtraken. Ondanks de logica van de woorden van imaam Ahmed, kon Moe’tasim zijn macht niet op het spel zetten en dus beval hij zijn mannen om hardvochtig te zijn tegenover imaam Ahmed, anders zou hij hun handen laten afhakken.
Imaam Ahmed verdroeg wat een olifant niet zou kunnen verdragen, zoals een van de bewakers die hem sloegen later zei. Hij verloor het bewustzijn en kwam vervolgens weer bij zijn positieven doordat ze water in zijn gezicht gooiden, en vervolgens gingen ze weer veder met de zweepslagen. Maar hij weigerde om het op te geven. Na dit incident kon hij een maand lang niet op zijn rug slapen, door zijn wonden. De littekens waren tot aan zijn dood zichtbaar op zijn rug.
Zijn leerlingen vroegen toestemming aan hem om een revolutie tegen de kalief te beginnen, maar hij weigerde dit, om geschillen onder de moslims te voorkomen. Hij was tegen geweld en wraak voor zichzelf, omwille van de eenheid van de moslimgemeenschap.
Moe’tasim stierf en Wathiq was vijf jaar lang aan de macht, totdat ook hij stierf. Ook hij hield imaam Ahmed gevangen tijdens zijn heerschappij. Toen Moetawakkil aan de macht was, herhaalde een arme, oude man de jurisprudentie van imaam Ahmed, en dus werd hij gearresteerd en naar de kalief gebracht. Moetawakkil liet hem debatteren met ibn-aboe-Dawoed, en hij slaagde erin de onschuld van imaam Ahmed te bewijzen. De kalief ontsloeg ibn-aboe-Dawoed vervolgens, als opruier, liet imaam Ahmed vrij en verbood deze opruiing en zorgde ervoor dat niemand van moe’tazila een hoge, invloedrijke positie kon krijgen.
Imaam Ahmed werd ernstig ziek toen hij bijna 80 was. Ondanks zijn verzwakking, bleef hij zijn zoon Saalih vragen om hem erbij te helpen om op te staan voor het gebed.
Toen hij zo ziek was, kwam er een man naar zijn zoon Saalih toe, die deelgenomen had aan de marteling van imaam Ahmed. Hij vroeg de toestemming om imaam Ahmed te mogen zien, hij had spijt van zijn aandeel in het lijden van de imaam. Toen hij binnen mocht komen, huilde hij en vroeg om vergiffenis. Imaam Ahmed vergaf hem, op voorwaarde dat hij zoiets nooit weer zou doen.
Op vrijdag in rabbia al-awwal, 214 n.h., overleed imaam Ahmed na zijn leven toegewijd te hebben aan de zaak van Allah en de islaam. Toen zijn dood bekend werd, gingen de mensen massaal de straat op om zijn begrafenis bij te wonen. Ook zijn zoons, en familieleden van de heerser woonden het begrafenisgebed bij. De begrafenis werd gemarkeerd door de openlijke vervloeking van de ketters die achter de vervolging van imaam Ahmed zaten.
Imaam Ahmed was de imaam die twee tegenstrijdige eigenschappen kon combineren: de helderheid en zuiverheid van zijn wetschool en de strengheid in zijn houding dat de islaam ongecompliceerd moet blijven. Hij was in staat te bewijzen dat co-existentie betekent dat je met anderen samenleeft, zonder in hen op te gaan.
AmrKhaled.net © جميع حقوق النشر محفوظة
Dit artikel mag voor privé-doeleinden gepubliceerd en gekopieerd worden, zolang de oorspronkelijke bron vermeld wordt. Voor alle andere doeleinden is vooraf schriftelijke toestemming van de administratie van deze website nodig. Voor informatie: dar_altarjama@amrkhaled.net
|